De Wet collectieve warmte verbiedt straks het leveren van warmte zonder toestemming van de gemeente. Dat klinkt alsof iedereen met een collectieve ketel of warmtepomp in de problemen komt. Zo is het niet, maar er zijn wel situaties waarin je vóór een bepaalde datum iets moet regelen, en er zijn situaties waarin dat niet hoeft. Het verschil zit hem in vier vragen.

Deze blog is bedoeld voor VvE-besturen en -beheerders, woningcorporaties, verhuurders, vastgoedeigenaren en kleine warmtebedrijven die warmte leveren aan bewoners of huurders. Je leest wat de wet onder een klein collectief warmtesysteem verstaat, welke route voor jouw situatie geldt, welke termijn daarbij hoort en wat er ook onder het lichtste regime gewoon blijft gelden.

Wat je hier niet vindt is advies over jouw specifieke situatie. Daarvoor is de feitelijke opzet van het systeem bepalend, en soms ook de splitsingsakte.

Waarom deze vraag nu speelt

De Wcw is op 9 december 2025 aangenomen en in januari 2026 in het Staatsblad gepubliceerd. De wet treedt gefaseerd in werking: drie artikelen gelden al sinds februari 2026, het merendeel volgt tegelijk met het Besluit collectieve warmte. Volledige inwerkingtreding is voorzien op 1 januari 2027.

Voor wie een bestaand systeem heeft, begint op dat moment een termijn te lopen. En die termijn is kort genoeg om er nu al naar te kijken, zeker omdat het antwoord op de vraag welke route voor jou geldt niet altijd in vijf minuten te geven is.

De hoofdregel: warmte leveren mag straks niet zomaar

Het uitgangspunt van de Wcw is dat warmte niet geleverd of getransporteerd mag worden zonder aanwijzing van het college van burgemeester en wethouders. Met zo’n aanwijzing krijgt één warmtebedrijf het exclusieve recht én de plicht om binnen een afgebakend gebied — een warmtekavel — warmte te leveren.

Die opzet is bedoeld voor grootschalige collectieve warmtevoorziening. De wetgever wilde voorkomen dat er in één wijk meerdere kleine netten naast elkaar ontstaan, en dat warmtebedrijven alleen de makkelijk aan te sluiten gebouwen meenemen.

Voor kleinere systemen zou dat regime onwerkbaar zwaar zijn. Daarom kent de wet uitzonderingen. Wie onder zo’n uitzondering valt, mag warmte leveren zonder dat de gemeente hem heeft aangewezen.

Wat de wet een klein collectief warmtesysteem noemt

Een klein collectief warmtesysteem levert warmte aan maximaal 1.500 afnemers. Die 1.500 kan bestaan uit verbruikers, uit huurders met een individuele aansluiting van maximaal 100 kW die warmte via hun verhuurder krijgen, of uit leden van een VvE of vergelijkbare rechtsvorm met een aansluiting van maximaal 100 kW die warmte via hun vereniging krijgen.

Vijftienhonderd aansluitingen is veel. Voor vrijwel elk appartementencomplex, elk corporatiebezit met blokverwarming en de meeste WKO-systemen in de utiliteitsbouw ligt de grens ruim buiten bereik. De discussie gaat in de praktijk dus zelden over dat aantal, maar over de vraag welke route binnen die categorie geldt.

Belangrijk: het gaat om het systeem, niet om de rechtsvorm. Een VvE, een verhuurder, een corporatie, een coöperatie en een commercieel exploitant kunnen allemaal een klein collectief warmtesysteem hebben.

Vier vragen bepalen welk regime voor jou geldt

Loop deze vier langs in deze volgorde. Bij de eerste twee vallen de meeste situaties al op hun plek.

Vraag 1: lever je zelf, of lever je door?

Dit onderscheid is in juni 2026 door de minister verduidelijkt in een brief aan de Eerste Kamer, en het is het belangrijkste onderscheid in dit hele verhaal.

Van zelflevering is sprake wanneer je zelf warmte produceert of verdeelt en die aan je leden of huurders in rekening brengt. Je beheert en exploiteert dan een collectief warmtesysteem. Denk aan een VvE die verantwoordelijk is voor de collectieve ketel of warmtepomp in het gebouw.

Van doorlevering is sprake wanneer je warmte afneemt van een warmtebedrijf via een centrale aansluiting, en die vervolgens doorbelast aan de individuele bewoners. Het gebouw hangt dan aan een extern net; jij zit ertussen als administratieve schakel.

Voor doorlevering kent de wet een algemene uitzondering. Een doorleverende VvE hoeft geen vrijstelling of ontheffing aan te vragen. Dat is voor de praktijk belangrijk, omdat veel appartementengebouwen precies zo in elkaar zitten.

Bij zelflevering ligt het anders. Dan is in beginsel wel een vrijstelling of ontheffing nodig — tenzij vraag 2 uitkomst biedt.

Vraag 2: hoeveel afnemers heb je?

Op de hoofdregel bij zelflevering bestaat een uitzondering voor levering aan ten hoogste twintig natuurlijke personen of rechtspersonen met een kleinverbruikersaansluiting. Blijf je daaronder, dan hoef je niets aan te vragen.

Voor kleinere VvE’s en kleine verhuurders is dat de uitkomst. Voor een complex met vijftig of honderd appartementen dat zelf levert, niet. Die grens van twintig is het punt waarop veel eigenaren onterecht aannemen dat ze buiten schot blijven, simpelweg omdat ze zichzelf geen warmtebedrijf vinden.

Vraag 3: ligt je systeem binnen of buiten een warmtekavel?

Heb je wel een vrijstelling of ontheffing nodig, dan bepaalt deze vraag welke van de twee. Een warmtekavel is een gebied dat het college heeft vastgesteld en waarvoor het een warmtebedrijf aanwijst.

Ligt je systeem binnen zo’n kavel, dan heb je een ontheffing nodig. Dat is een aanvraag bij het college, waarbij je eerst je voornemen meldt bij de ACM. Die beoordeelt of je getoetst moet worden op organisatorische, technische en financiële bekwaamheid. Het college mag de aanvraag alleen op een beperkt aantal in de wet genoemde gronden weigeren — bijvoorbeeld als je systeem eigenlijk te groot is, als het onlosmakelijk verbonden is met een ander klein systeem, of als het aangewezen warmtebedrijf daardoor structureel geen redelijk rendement meer kan halen. Is er geen weigeringsgrond, dan móet het college de ontheffing verlenen. Die geldt vervolgens minimaal twintig en maximaal dertig jaar.

Ligt je systeem buiten een warmtekavel, dan is er geen aanvraagplicht maar een meldplicht. Je meldt je voornemen bij zowel de ACM als het college. Beoordeelt de ACM dat je voldoet, of vindt zij een toets niet nodig, dan krijg je automatisch een vrijstelling voor maximaal dertig jaar.

In de praktijk is dit voor de meeste gebouweigenaren nu nog een theoretische vraag, omdat de meeste gemeenten hun warmtekavels nog moeten vaststellen. Dat maakt het wel een vraag om in de gaten te houden: waar je vandaag buiten een kavel ligt, kun je over twee jaar binnen een kavel liggen.

Vraag 4: bestaat je systeem al, of is het nieuw?

Voor systemen die al warmte leveren op het moment dat de wet ingaat, geldt overgangsrecht. Dat is een aparte, lichtere route, en voor de meeste lezers van dit artikel de relevante.

Verhuurders en VvE’s die al warmte leveren aan hun huurders of leden, moeten die bestaande levering binnen zes maanden na inwerkingtreding melden bij het college. Door die melding krijgen zij automatisch een ontheffing voor een klein collectief warmtesysteem, geldig voor dertig jaar. Er is geen apart besluit van het college nodig. Voorwaarde is wel dat de levering voldoet aan de criteria voor een klein collectief warmtesysteem — anders geldt de melding niet als ontheffing.

Voor andere bestaande kleine collectieve warmtesystemen geldt dat zij binnen een half jaar na inwerkingtreding een ontheffing moeten aanvragen bij het college. Het college kan die aanvraag uitsluitend weigeren als het systeem niet aan de criteria voor een klein collectief warmtesysteem voldoet. Ook dat is dus een aanzienlijk lichtere toets dan de reguliere procedure.

De vier routes op een rij

Jouw situatieWat je moet doenWat je krijgt
Doorlevering: je neemt warmte af van een warmtebedrijf en belast doorGeen vrijstelling of ontheffing aanvragenAlgemene uitzondering; meet- en facturatieverplichtingen blijven gelden
Zelflevering aan ten hoogste 20 personen met een kleinverbruikersaansluitingGeen vrijstelling of ontheffing aanvragenUitzondering; meet- en facturatieverplichtingen blijven gelden
Bestaande levering door een verhuurder of VvE aan huurders of ledenMelden bij het college binnen zes maanden na inwerkingtredingAutomatisch een ontheffing van dertig jaar, zonder apart besluit
Bestaand klein collectief warmtesysteem, overige gevallenOntheffing aanvragen bij het college binnen een half jaarOntheffing; weigering alleen als het geen klein collectief warmtesysteem is
Nieuw systeem binnen een warmtekavelVoornemen melden bij de ACM, daarna ontheffing aanvragen bij het collegeOntheffing voor minimaal 20 en maximaal 30 jaar
Nieuw systeem buiten een warmtekavelVoornemen melden bij ACM én college, aansluitovereenkomst aanleverenAutomatisch vrijstelling voor maximaal 30 jaar

Bestaande systemen: de termijn van zes maanden

Die zes maanden zijn de enige harde datum in dit verhaal. Treedt de wet op 1 januari 2027 in werking, dan loopt de termijn tot ergens medio 2027.

Dat lijkt ruim. Twee dingen maken het minder ruim dan het oogt. Ten eerste kost het vaststellen van je eigen situatie tijd: je moet weten of je zelf levert of doorlevert, hoeveel afnemers je precies hebt en of die als kleinverbruiker gelden. Bij een portefeuille met meerdere complexen is dat een inventarisatie, geen telefoontje.

Ten tweede zit die termijn in dezelfde periode waarin het college voor alle bestaande warmtebedrijven in de gemeente aanwijzingsbesluiten moet nemen — daar heeft het één jaar voor. De gemeentelijke capaciteit die zich met warmte bezighoudt, is in die maanden dus bezet.

Wat er hoe dan ook blijft gelden

Ook als je onder een uitzondering valt en niets hoeft aan te vragen, ben je niet klaar. De meet- en facturatieverplichtingen blijven onverkort van toepassing. Je moet kunnen verantwoorden welk verbruik is vastgesteld, welke kosten zijn gemaakt en hoe die aan bewoners zijn doorbelast. Bewoners moeten kunnen nagaan waarop de doorbelasting is gebaseerd en hoe voorschotten en eindafrekeningen zijn berekend.

Dat raakt aan de verplichting dat warmtemeters en warmtekostenverdelers uiterlijk 1 januari 2027 op afstand uitleesbaar moeten zijn. Die twee zaken vallen niet toevallig samen: een controleerbare administratie begint bij betrouwbare meetgegevens.

Voor VvE’s die onder het lichtere regime vallen, stelt de ACM geen maximumtarieven vast. Dat betekent niet dat de VvE vrij is in wat zij haar leden in rekening brengt. De interne verhouding wordt beheerst door het appartementsrecht, de splitsingsakte, het reglement, de besluiten van de vergadering van eigenaars en de redelijkheid en billijkheid binnen de vereniging. Een verdeelsleutel voor warmtekosten moet binnen de splitsingsakte passen. In de praktijk ligt daar bij VvE’s vaker een probleem dan bij de Wcw zelf.

En er blijft toezicht. De ACM houdt toezicht op de naleving van de meet- en facturatieverplichtingen. Het college houdt toezicht op de vraag of je terecht onder een uitzondering valt. Blijkt van niet, dan zijn een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete mogelijk.

Wat er lichter wordt als je een ontheffing of vrijstelling hebt

Warmtebedrijven met een ontheffing of vrijstelling hebben in beginsel dezelfde wettelijke taken als aangewezen warmtebedrijven. Het verschil zit in de verantwoordingslast.

VerplichtingAangewezen warmtebedrijfMet ontheffing of vrijstelling
Uitgewerkt kavelplan en investeringsplanJa, vooraf goedgekeurd door het collegeNiet vereist
Financiële monitoring door de ACMJaarlijks, per warmtekavelEens per drie jaar, op bedrijfsniveau
Rapportage leveringszekerheid en duurzaamheidJaarlijksEens per drie jaar
DuurzaamheidsnormenAltijd verplichtOntheffing mogelijk in specifieke gevallen

Eens per drie jaar rapporteren over leveringszekerheid klinkt als weinig. In de praktijk betekent het dat je drie jaar lang gegevens moet hebben verzameld waar je op dat moment iets mee kunt. Wie pas begint met vastleggen als de rapportage in zicht komt, heeft niets om over te rapporteren.

Waar het nog niet vastligt

Twee dingen zijn op dit moment nog niet uitgekristalliseerd, en het is eerlijker om dat te benoemen dan om er overheen te schrijven.

Het Besluit collectieve warmte is nog niet definitief. Daarin wordt een groot deel van de procedures nader ingevuld. Het merendeel van de Wcw treedt pas tegelijk met dat besluit in werking, wat betekent dat ook de datum van 1 januari 2027 daaraan vastzit.

En de precieze samenloop tussen het overgangsrecht en de uitzonderingen is niet volledig scherp. Het overgangsrecht beschrijft een meldplicht voor verhuurders en VvE’s die leidt tot een automatische ontheffing. De Kamerbrief van juni 2026 zegt dat een doorleverende VvE helemaal geen vrijstelling of ontheffing nodig heeft. Die twee laten zich verklaren — de meldingsroute geldt vermoedelijk voor de gevallen waarin wél iets nodig is — maar dat staat nergens met zoveel woorden.

Het praktische gevolg daarvan is eenvoudig. Twijfel je of je onder een uitzondering valt, meld je situatie dan. Een melding kost weinig, en het college is nu juist de instantie die beoordeelt of je terecht buiten de regeling blijft. Achteraf blijken dat je het mis had, is aanzienlijk duurder dan een melding die niet nodig bleek.

Wat je nu al kunt doen

Niets van het onderstaande hoeft te wachten op het Besluit collectieve warmte.

  • Stel per complex vast of je zelf levert of doorlevert. Dat volgt uit de vraag wie eigenaar is van de opwekking en met wie het leveringscontract is gesloten, niet uit hoe het intern wordt genoemd.
  • Tel hoeveel afnemers er per systeem zijn en of die een kleinverbruikersaansluiting hebben. Bij zelflevering is twintig het getal dat telt.
  • Zoek uit of je gemeente al warmtekavels heeft vastgesteld of daarmee bezig is. Dat bepaalt of je in de ontheffings- of de vrijstellingsroute zit.
  • Controleer of je meetinstallatie op 1 januari 2027 op afstand uitleesbaar is. Die verplichting staat los van dit hele verhaal, maar valt op dezelfde datum.
  • Kijk of je administratie de doorbelasting kan onderbouwen. Niet of het klopt, maar of je het kunt laten zien. Dat is waar toezicht op ziet.
  • Bij een VvE: leg naast de wet ook de splitsingsakte. De verdeelsleutel voor warmtekosten moet daarin passen, en dat is een aparte vraag.

Hoe Ecopulz hierbij helpt

Ecopulz verzorgt de bedrijfsvoering van collectieve warmtesystemen: de administratie, de meetgegevens, de afrekening en de verantwoording daarover. Dat is precies het deel dat blijft gelden, ongeacht in welke route je terechtkomt.

Wat wij niet doen is een juridisch oordeel geven over de vraag of jouw systeem onder een uitzondering valt. Dat hangt af van de feitelijke opzet en soms van de splitsingsakte, en daar hoort iemand met de juiste achtergrond naar te kijken.

Waar we wel aan bijdragen is het voorwerk: vaststellen hoe je systemen technisch en administratief in elkaar zitten, hoeveel afnemers er per systeem zijn, en of de meet- en facturatieketen op orde is. Dat is de inventarisatie die je hoe dan ook nodig hebt voordat je een melding kunt doen — en die bij een portefeuille met meerdere complexen het meeste tijd kost.

Wil je weten hoe jouw systemen ervoor staan voordat de termijn gaat lopen, plan dan een gesprek.

Conclusie

De Wcw verbiedt het leveren van warmte zonder toestemming, maar kent voor kleine systemen uitzonderingen die de meeste gebouweigenaren raken. Lever je door, dan geldt een algemene uitzondering. Lever je zelf aan ten hoogste twintig personen met een kleinverbruikersaansluiting, dan ook.

Zit je daarbuiten en heb je een bestaand systeem, dan is de route lichter dan vaak wordt gedacht: verhuurders en VvE’s melden hun levering binnen zes maanden bij het college en krijgen daarmee automatisch een ontheffing voor dertig jaar. Andere bestaande kleine systemen dienen binnen een half jaar een aanvraag in die alleen geweigerd kan worden als het systeem niet klein genoeg is.

Wat in alle gevallen blijft staan, zijn de verplichtingen rond meten en factureren. Dat is meteen het onderdeel waar de meeste eigenaren vandaag het minst goed op voorbereid zijn, en het enige onderdeel waar je nu al iets aan kunt doen.

Lees ook: een bestaand collectief warmtesysteem overnemen: waar kijk je naar vóór je tekent? en warmtetarieven onder de Wcw: wat verandert er wél en wat voorlopig niet?.

Veelgestelde vragen over kleine collectieve warmtesystemen

Wat is een klein collectief warmtesysteem?

Een collectief warmtesysteem dat warmte levert aan maximaal 1.500 afnemers. Dat kunnen verbruikers zijn, huurders met een aansluiting van maximaal 100 kW die warmte via hun verhuurder krijgen, of leden van een VvE met een aansluiting van maximaal 100 kW die warmte via hun vereniging krijgen.

Heeft een VvE een vrijstelling of ontheffing nodig onder de Wcw?

Bij doorlevering niet: daarvoor geldt een algemene uitzondering. Bij zelflevering in beginsel wel, tenzij de VvE aan ten hoogste twintig natuurlijke of rechtspersonen met een kleinverbruikersaansluiting levert. Voor bestaande situaties geldt bovendien overgangsrecht met een meldingsroute.

Wat is het verschil tussen een vrijstelling en een ontheffing?

Een ontheffing geldt voor een klein collectief warmtesysteem binnen een warmtekavel en vraag je aan bij het college. Een vrijstelling geldt buiten een warmtekavel en ontstaat na een melding bij de ACM en het college, zonder aanvraagprocedure. Beide gelden maximaal dertig jaar.

Welke termijn geldt voor bestaande systemen?

Zes maanden na inwerkingtreding van de wet. Verhuurders en VvE’s melden hun bestaande warmtelevering binnen die termijn bij het college en krijgen daarmee automatisch een ontheffing voor dertig jaar. Andere bestaande kleine collectieve warmtesystemen vragen binnen een half jaar een ontheffing aan.

Blijven de meetverplichtingen gelden als ik onder een uitzondering val?

Ja. De meet- en facturatieverplichtingen blijven in alle gevallen van toepassing, ook als je geen vrijstelling of ontheffing nodig hebt. De ACM houdt daar toezicht op. Je moet kunnen laten zien welk verbruik is vastgesteld en hoe de kosten zijn doorbelast.

Meer weten?

Leave a Reply