Warmtetarieven onder de Wcw: wat verandert er wél en wat voorlopig niet?

Rond de Wet collectieve warmte circuleert één hardnekkig beeld: dat de warmtetarieven per 1 januari 2027 niet langer aan de gasprijs hangen maar op de werkelijke kosten worden gebaseerd. Dat klopt niet, en het verschil is groot genoeg om er rekening mee te houden in je begroting.

Deze blog is bedoeld voor asset owners, warmtebedrijven, woningcorporaties en vastgoedbeheerders die warmte leveren of doorbelasten. Je leest hoe de tarieven nu tot stand komen, wat er bij inwerkingtreding wél verandert, wanneer de kostengebaseerde regulering werkelijk komt, en waarom een gereguleerd maximumtarief niets zegt over de vraag of jouw systeem uit kan.

Het misverstand

De Wcw schrapt op termijn het principe dat warmte niet duurder mag zijn dan aardgas. Dat is juist. Maar de overgang verloopt in drie fasen, en alleen de eerste begint bij inwerkingtreding.

Volgens de routekaart die de ACM in het voorjaar van 2026 publiceerde, gaat fase 2 op zijn vroegst in 2029 in. De toezichthouder stelt de warmtetarieven daarmee in ieder geval tot 2030 vast aan de hand van de gasprijs. Fase 3, waarin de tarieven per warmtenet op basis van toegestane inkomsten worden bepaald, komt op zijn vroegst in 2034.

Wie zijn exploitatie inricht op kostengebaseerde tarieven vanaf 2027, rekent zich dus ruim vijf jaar te rijk.

Hoe de tarieven nu tot stand komen

Het niet-meer-dan-anders-principe

De ACM stelt jaarlijks maximumtarieven voor warmte vast. Verbruikers op een collectief systeem kunnen niet overstappen naar een andere leverancier, en die gebonden positie is de reden dat er een plafond is.

Dat plafond wordt bepaald door de gasreferentie: wat een vergelijkbaar huishouden met een gasgestookte cv-ketel zou betalen. Het variabele tarief per gigajoule volgt de gemiddelde prijs van een vast aardgascontract. Sinds kort gebruikt de ACM daarvoor drie peilmomenten — september, oktober en november — in plaats van één, wat de invloed van een toevallige prijspiek dempt. De vaste kosten worden afgeleid van de gemiddelde onderhouds- en afschrijvingskosten van een cv-ketel, de netbeheerkosten, de meettarieven en de vaste leveringskosten voor gas.

Voor 2026 komt dat uit op maximaal 40,97 euro per gigajoule en maximaal 827,91 euro per jaar aan vaste kosten. Ten opzichte van 2025 is het variabele tarief gedaald en zijn de vaste kosten gestegen. Voor een huishouden met een gemiddeld verbruik scheelt dat weinig; voor een laagverbruiker pakt het ongunstig uit, omdat die de hogere vaste kosten niet terugverdient met een lager tarief per gigajoule.

Eén ding wordt structureel over het hoofd gezien: dit zijn maximumtarieven, geen vastgestelde tarieven. Een leverancier mag er onder gaan zitten, en de ACM benadrukt dat het maximum alleen gevraagd zou moeten worden als dat werkelijk nodig is.

Waaruit de warmterekening bestaat

De discussie gaat bijna altijd over het tarief per gigajoule, terwijl de rekening uit meer onderdelen bestaat. Naast het variabele tarief en de vaste kosten stelt de ACM ook maxima vast voor onder meer de huur van de afleverset en het meettarief.

Dat onderscheid doet ertoe, want niet alle onderdelen volgen dezelfde systematiek. Ook in fase 1 blijft de ACM bepaalde tariefonderdelen, zoals aansluit- en afleverkosten, kostengebaseerd reguleren. De overgang is dus minder zwart-wit dan „gasreferentie nu, kosten straks”.

Wat er per 1 januari 2027 verandert

Fase 1 van de tariefregulering start bij inwerkingtreding van de wet. De kern daarvan is een correctie op de gasreferentie, geen vervanging ervan.

Die correctie houdt in dat kostenstijgingen die niets met collectieve warmte te maken hebben, niet langer meetellen in het referentietarief. Het duidelijkste voorbeeld is een verhoging van de energiebelasting op aardgas: die maakt gas duurder, en daarmee tot nu toe automatisch ook het maximum voor warmte, terwijl de kosten van een warmtenet er niet door stijgen.

Daarnaast verandert er op hetzelfde moment iets wat niet over tarieven gaat maar er wel mee samenhangt: de huidige vergunningstoets wordt vervangen door een bekwaamheidstoets, waarbij de ACM beoordeelt of een warmtebedrijf organisatorisch, technisch en financieel in staat is zijn wettelijke taken uit te voeren.

Wat er voorlopig niet verandert

Het belangrijkste is misschien wel wat er níet gebeurt.

De koppeling aan de gasprijs blijft bestaan. De maximumtarieven blijven in ieder geval tot 2030 op basis van de gasreferentie vastgesteld. Dat betekent ook dat de jaarlijkse onzekerheid blijft: als de gasprijs daalt, daalt het plafond voor warmte mee, ongeacht wat jouw systeem kost.

Er komt geen tarief per warmtenet. Dat is fase 2, waarin de tarieven voor grote systemen per warmtekavel worden vastgesteld op basis van efficiënte kosten, en voor kleine systemen op basis van een kostengebaseerde referentie. Of fase 2 doorgaat, is bovendien geen automatisme: de Tweede Kamer besluit daarover, en de ACM adviseert de minister in aanloop daarnaartoe.

En er komt geen vergoeding van de eigen kosten. Ook in fase 2 en 3 gaat het om efficiënte kosten, vastgesteld met normen of benchmarks. Kostengebaseerde regulering betekent nadrukkelijk niet dat alle kosten worden vergoed.

De drie fasen op een rij

FaseWanneerWat er gebeurt
Fase 1Vanaf inwerkingtreding, voorzien 1 januari 2027De gasreferentie blijft, maar wordt gecorrigeerd: kostenstijgingen zonder verband met collectieve warmte tellen niet meer mee. Aansluit- en afleverkosten blijven kostengebaseerd gereguleerd.
Fase 2Op zijn vroegst 2029; de Tweede Kamer besluit of deze fase doorgaatKostengebaseerde tariefformules vervangen de NMDA-systematiek. Voor grote systemen per warmtekavel op basis van efficiënte kosten, voor kleine systemen op basis van een kostengebaseerde referentie. Een tarieflimiet voorkomt excessen.
Fase 3Op zijn vroegst 2034De ACM stelt tarieven vast op basis van toegestane inkomsten per warmtenet, met of zonder omzetregulering. Kleine collectieve systemen blijven naar verwachting in fase 2.

In de tussentijd bereidt de ACM de latere fasen voor: nieuwe regulatorische accountingregels zodat warmtebedrijven financiële gegevens vergelijkbaar aanleveren, een methode voor de gestandaardiseerde activawaarde van warmtenetten, en een besluit over het redelijk rendement.

Een maximumtarief is geen garantie op kostendekking

Voor een asset owner is dit het punt waar het werkelijk om draait. Een gereguleerd plafond zegt niets over de vraag of jouw systeem uit kan.

De rendementsmonitor die de ACM over 2024 publiceerde, laat dat scherp zien. De financiële rendementen van warmteleveranciers liepen dat jaar uiteen van min 56 procent tot plus 15 procent. De ACM vond daarbij geen duidelijk verband tussen het behaalde rendement en de leeftijd van het net, de omvang van het net, de omvang van de leverancier of de gebruikte warmtebron.

Die spreiding is de kern van het probleem dat de Wcw probeert op te lossen. De kosten van collectieve warmtesystemen verschillen onderling sterk — in de toelichting bij de wet wordt gesproken over verschillen van een factor vier tot vijf — terwijl het maximumtarief voor iedereen hetzelfde is. Het ene systeem zit daardoor ruim onder het plafond, het andere haalt het bij lange na niet.

De les daaruit is niet dat regulering onredelijk is, maar dat je je eigen kosten moet kennen. Wie alleen naar het maximumtarief kijkt, weet niet of hij geld verdient of verliest. En onder toekomstige regulering wordt dat inzicht geen luxe meer: de ACM kan het rendement van een warmteleverancier toetsen aan wat redelijk is, en wat daarboven zit kan via lagere tarieven terugvloeien naar verbruikers.

Wanneer de tariefregulering niet voor jou geldt

Niet iedereen die warmte doorbelast valt onder de tariefregulering. Voor VvE’s die onder het lichtere regime van de Wcw vallen, stelt de ACM geen maximumtarieven vast voor wat zij hun leden in rekening brengen.

Dat betekent niet dat zo’n VvE vrij is. De interne verhouding wordt beheerst door het appartementsrecht, de splitsingsakte, het reglement en de besluiten van de vergadering van eigenaars. Een verdeelsleutel voor warmtekosten moet binnen de splitsingsakte passen, en voorschotten en eindafrekeningen moeten deugdelijk onderbouwd zijn. In de praktijk levert dát vaker discussie op dan het tarief zelf.

Wat wel in alle gevallen blijft gelden, zijn de meet- en facturatieverplichtingen. Welk regime ook op je van toepassing is, je moet kunnen laten zien welk verbruik is vastgesteld en hoe de kosten zijn doorbelast.

Wat dit betekent voor je exploitatie

Drie dingen volgen hieruit voor de komende jaren.

Je inkomstenkant blijft afhankelijk van de gasprijs. Zolang het plafond de gasreferentie volgt, beweegt je maximale opbrengst mee met een markt waar je geen invloed op hebt en die niets met jouw kosten te maken heeft. Dat is een risico om expliciet te benoemen in een meerjarenbegroting, niet iets om op te hopen.

Je kostenkant is wél beïnvloedbaar. Rendement, warmteverlies, storingskosten en onderhoudsplanning bepalen of je binnen het plafond uit de voeten kunt. Dat is precies het deel waar een asset owner iets aan kan doen, en het is de reden dat de discussie over tarieven bijna altijd een discussie over beheer blijkt te zijn.

En de onderbouwing wordt belangrijker. De ACM werkt aan accountingregels die warmtebedrijven dwingen hun financiële gegevens vergelijkbaar aan te leveren. Wie zijn kosten per systeem niet kan uitsplitsen, kan straks ook niet laten zien dat zijn tarieven redelijk zijn.

Wat je nu al kunt doen

  • Breng je werkelijke kosten per systeem in beeld, uitgesplitst in energie, onderhoud, storingen, beheer en administratie. Zonder die uitsplitsing is elke uitspraak over tarieven een schatting.
  • Zet je huidige tarieven af tegen het geldende maximum en tegen je eigen kosten. Dat zijn drie verschillende getallen, en het is zinvol om te weten hoe ze zich tot elkaar verhouden.
  • Neem de jaarlijkse vaststelling in december op in je planning. De ACM stelt dan de maximumtarieven voor het volgende jaar vast; dat is het moment waarop je weet waar je het jaar daarop mee moet werken.
  • Controleer of je administratie de doorbelasting kan onderbouwen. Niet of ze klopt, maar of je het kunt laten zien.
  • Kijk naar je kostenkant in plaats van naar het plafond. Warmteverlies en onnodige storingsuitrukken zijn posten waar je zelf iets aan kunt doen; de gasprijs niet.

Uit de praktijk: lees hoe Ecopulz het collectieve warmtesysteem van Meppel Energie technisch optimaliseerde.

Hoe Ecopulz hierbij helpt

De vraag die wij van klanten het vaakst krijgen, gaat niet over de hoogte van een tarief maar over de opbouw ervan: waaruit bestaat het, en waarom is het zoals het is. Dat is een administratieve en technische vraag voordat het een commerciële wordt.

Wij verzorgen de bedrijfsvoering van collectieve warmtesystemen: de meetgegevens, de administratie en de verantwoording daarover. Dat levert het kosteninzicht per systeem op waar een tariefdiscussie op rust. Voor de juridische beoordeling van je tariefstelling heb je andere expertise nodig; wij zorgen dat de cijfers eronder kloppen en navolgbaar zijn.

Wil je weten of je voor je eigen systemen kunt onderbouwen waar je tarieven op gebaseerd zijn, dan is dat in een gesprek vrij snel duidelijk.

Conclusie

De Wcw verandert de tariefregulering ingrijpend, maar niet meteen. Fase 1 corrigeert vanaf de inwerkingtreding alleen de gasreferentie. Fase 2 komt op zijn vroegst in 2029 en gaat pas door als de Tweede Kamer daartoe besluit; de tarieven blijven in ieder geval tot 2030 aan de gasprijs gekoppeld. Fase 3 ligt op zijn vroegst in 2034.

Belangrijker dan die tijdlijn is wat een maximumtarief níet doet. Het beschermt verbruikers tegen te hoge prijzen, maar het garandeert geen kostendekking: in 2024 liepen de rendementen van warmteleveranciers uiteen van min 56 tot plus 15 procent. Of jouw systeem uit kan, hangt daarom niet af van het plafond maar van je eigen kosten — en dat is het enige deel van de vergelijking waar je zelf aan kunt draaien.

Veelgestelde vragen over warmtetarieven onder de Wcw

Worden de warmtetarieven per 1 januari 2027 kostengebaseerd?

Nee. Fase 1 van de tariefregulering start bij inwerkingtreding en corrigeert alleen de gasreferentie: kostenstijgingen zonder verband met collectieve warmte tellen niet meer mee. De kostengebaseerde tariefformules van fase 2 gaan volgens de ACM op zijn vroegst in 2029 in, en de tarieven blijven in ieder geval tot 2030 aan de gasprijs gekoppeld.

Hoe stelt de ACM de maximumtarieven voor warmte vast?

Op basis van het niet-meer-dan-anders-principe: wat een vergelijkbaar huishouden met een gasgestookte cv-ketel zou betalen. Het variabele tarief per gigajoule volgt de gemiddelde prijs van een vast aardgascontract, bepaald aan de hand van drie peilmomenten in september, oktober en november. De vaste kosten worden afgeleid van onder meer de onderhouds- en afschrijvingskosten van een cv-ketel en de netbeheerkosten.

Wat zijn de maximale warmtetarieven voor 2026?

Maximaal 40,97 euro per gigajoule en maximaal 827,91 euro per jaar aan vaste kosten. Ten opzichte van 2025 is het variabele tarief gedaald en zijn de vaste kosten gestegen. Daarnaast stelt de ACM maxima vast voor onder meer de huur van de afleverset en het meettarief. De tarieven voor het volgende jaar worden telkens in december vastgesteld.

Moet ik als leverancier het maximumtarief in rekening brengen?

Nee. Het gaat om maximumtarieven, niet om vastgestelde tarieven. Een leverancier mag een lager tarief hanteren, en volgens de ACM zou het maximum alleen gevraagd moeten worden wanneer dat werkelijk nodig is.

Geldt de tariefregulering ook voor een VvE die warmte doorbelast?

Voor VvE’s die onder het lichtere regime van de Wcw vallen, stelt de ACM geen maximumtarieven vast. De interne kostenverdeling wordt dan beheerst door het appartementsrecht, de splitsingsakte, het reglement en de besluiten van de vergadering van eigenaars. De meet- en facturatieverplichtingen blijven wel gelden.

Meer weten?

Leave a Reply